• tekstproducties-Nico 1200x285

Speeches

Staatssecretaris OCW

Accordion 8

Staatssecretaris van OCW, Sander Dekker

Toespraak door de staatssecretaris van OCW, Sander Dekker, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Commissariaat voor de Media, op 7 april 2014 in Bussum.

Koninklijke hoogheid, dames en heren,

Wij Nederlanders staan bekend om onze nogal losse omgang met de autoriteiten. Die zit in onze cultuur ingebakken. Er loopt een rechte lijn van de vrijhaven die de zeventiende-eeuwse Republiek was via Provo in de jaren zestig naar onze moderne mondigheid.

Van die mondigheid mag iedereen vinden wat hij wil, feit is dat je in ons land, anders dan in andere landen, niet automatisch beschikt over gezag. In Nederland moet je dat verdienen. En terecht, want macht alleen is voor gezag niet voldoende. Ik feliciteer het Commissariaat voor de Media vandaag met zijn 25-jarig jubileum. Maar waar ik het vooral graag mee feliciteer, is dat het erin is geslaagd in die 25 jaar een gezaghebbende positie in de mediawereld op te bouwen.

Dat heeft het allereerst voor elkaar gekregen door zijn werk goed te doen. Het commissariaat heeft deskundige medewerkers die de mediawereld kennen als hun broekzak. Dat bewijzen alleen al de analyses van het medialandschap die het elk jaar in zijn Mediamonitor publiceert. En dat bewijst ook zijn voortrekkersrol in het European Platform of Media Regulators, de Europese koepel van toezichthouders.

Kennis en deskundigheid zijn noodzakelijk voor gezag, maar zijn daarvoor niet genoeg. Ik ben ervan overtuigd dat het commissariaat zijn positie vooral heeft verworven doordat het aansluit bij de manier waarop we in Nederland met gezag omgaan. Het legt niet elk detail onder een vergrootglas, maar controleert op hoofdlijnen en steekproefsgewijs. En het is niet ijzerenheinig of star, maar beweegt mee. Daar zal ik het straks nog met u over hebben, als ik inga op de toekomst van het toezicht. Laat ik u nu eerst meenemen naar het verleden.

Het commissariaat is in het Nederlandse medialandschap een begrip. Het is zo vanzelfsprekend dat je bijna zou vergeten hoe dat landschap eruitzag toen er nog geen commissariaat was.

Tot 1988 stonden de omroepen nog onder het toezicht van de overheid zelf, in dit geval het toenmalige ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Vadertje staat wist wat goed voor ons was en liet zich nadrukkelijker gelden dan nu.

Net als nu betrof de bulk van het toezicht het omroepbestel. WVC hield toezicht op reclames, op de financiën van de omroepen en op de programma-inhoud. Het waakte bijvoorbeeld voor bloot op tv. Het beschikte over een heuse ‘regeringscommissaris voor de omroep’ en over de Kijk- en Luisterdienst. Voor de jongeren onder u: anders dan de naam misschien doet vermoeden, was de Kijk- en Luisterdienst niet een soort NSA. Toch had hij net als het hele ministerie wel iets weg van een big brother. De medewerkers legden programma’s op video vast om te controleren of de reclametijd niet werd overschreden.

Een hilarische sketch uit 1982 van – toen nog – Koot en Bie treft de sfeer van die tijd. Wim Kan speelt daarin Van Puthoven, plaatsvervangend directeur-generaal van WVC. Van Puthoven heeft het laatste woord wanneer hij zegt: ʻIn grote trekken kan ik zeggen: d’r mag eigenlijk niks!ʼ

We kunnen daar nu om lachen, maar gelukkig is die tijd voorbij. Gezag is behalve aan de cultuur van een land ook onderhevig aan de tijd. De overheid zag in dat ze meer kon vertrouwen op de eigen verantwoordelijkheid van omroepen, dat ʻdʼr eigenlijk best iets magʼ. Ze zag ook in dat ze kijkers echt niet hoeft te vertellen wat ze wel en niet mogen zien. Dat ze heus wel weten dat er een knop op de tv zit. Maar de overheid zag vooral in dat ze meer afstand moest bewaren. Dat ze niet zelf een wet kon maken en die vervolgens kon gaan handhaven, alsof er nooit een scheiding der machten had bestaan. Kortom: dat toezicht onafhankelijk moet zijn.

In 1988 zette de overheid zichzelf inderdaad op afstand door het Commissariaat voor de Media op te richten. Nog geen jaar later kwamen de commerciële omroepen. Die maakten het omroeplandschap gevarieerder en competitiever. Net als de regionale en de lokale omroepen, waaraan het commissariaat ook vergunningen verstrekt. Onafhankelijk toezicht werd des te harder nodig. Ook had het toezicht steeds meer betrekking op Europese regelgeving, want Europa werd steeds meer één.

Niet alleen kwamen er meer omroepen, er kwamen ook meer aanbieders. In 1989 werd PTT KPN. Het duurde niet lang of door de liberalisering kwam er concurrentie van andere kabelexploitanten. De antennes verdwenen van de daken en tv werd digitaal. Het leek alsof de hele wereld via de beeldbuis binnen begon te komen. Pink Floyd zong in 1979 nog over 30 channels of shit on the tv to choose from, een jaar of tien later was er een veelvoud van dat aantal zenders.

Met de komst van internet in de jaren negentig werden de mogelijkheden letterlijk onbegrensd. Tv en computer schoven als het ware in elkaar. Met als gevolg dat de kijker anno nu bijna elke film en elk programma kan kijken waar en wanneer hij maar wil. Het achtuurjournaal een uurtje later? Een weekendlange Breaking Bad-marathon? Een film van Netflix op zaterdag bij je ontbijt? Of die nieuwe serie van HBO op de tablet in de trein? Het kan allemaal. En het is lichtjaren verwijderd van op zaterdagavond met natte haartjes en pyjama aan zitten wachten tot je Mies ʻLicht uit, spot aan’ hoorde zeggen.

Anno 2014 is het medialandschap oneindig veel dynamischer dan het tientallen jaren is geweest. En er lijkt nog lang geen einde te komen aan de veranderingen. Voor ondernemers liggen de kansen voor het oprapen. Maar de echte winnaars zijn de kijkers en de luisteraars. Voor hen zijn die onafhankelijkheid, pluriformiteit en toegankelijkheid van het media-aanbod bedoeld waar het commissariaat over waakt. Dat de kijker zoveel vrijheid ervaart, is dus een andere verdienste van het commissariaat.

Mijn uitstapje naar het verleden diende om te laten zien dat toezicht met de tijd en de ontwikkelingen mee verandert. Omdat we nog midden in die veranderingen zitten, ligt de vraag voor de hand wat die betekenen voor de toekomst van het toezicht.

Je kunt op twee manieren op die veranderingen reageren. Je kunt ten eerste proberen elke nieuwe ontwikkeling in regels te vatten. Maar dat werkt niet. De ontwikkelingen volgen elkaar in zoʼn razend tempo op dat je ze met geen mogelijkheid kunt bijbenen. Bovendien is de aard van die ontwikkelingen niet te voorzien. Dus hoe maak je wetgeving voor wat je niet kent? En willen we eigenlijk alles wel met regels dichttimmeren?

Want een ander bezwaar tegen regels is dat het risico bestaat dat ze de ontwikkelingen in de kiem smoren. Regeldruk beperkt de economische groei en belemmert initiatieven van burgers en bedrijven. Het is volgens mij geen toeval dat Nederland op twee landen na, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, het meest succesvol is in de verkoop van tv-formats. De Nederlandse media-industrie is vooruitstrevend en innovatief en vertegenwoordigt een groot economisch belang. Dit kabinet zet zijn kaarten bewust op de creatieve industrie als topsector. Daarbij past ruimte voor ondernemerschap, en daarmee minder regeldruk. We moeten ontluikende, experimenterende bedrijfjes bijvoorbeeld niet opzadelen met eisenpakketten die gelden voor mediaconglomeraten.

Mogelijkheid twee is dat je alleen het hoogstnoodzakelijke reguleert. Die mogelijkheid komt erop neer dat je uitsluitend maatschappelijke normen en waarden handhaaft, bijvoorbeeld dat er voor een bepaald tijdstip geen gewelddadige programma’s worden uitgezonden. Dat kinderen niet met misleidende reclame worden beïnvloed. Dat er geen reclame wordt gemaakt voor tabak en dat er strenge regels gelden voor alcoholreclames. Overigens allemaal normen die in Europese wetgeving zijn vastgelegd.

Wat mij betreft houden we het bij die compacte, liberale, typisch Nederlandse manier van handhaven. Laten we onze energie vooral steken in het creëren van ruimte. Laten we ons openstellen voor nieuwe ontwikkelingen in de media. Die bieden kansen, en die moeten we grijpen.

Meer ruimte, minder regels, een soepele omgang met gezag. Voor dat model maken we ons in Nederland sterk. Wat mij betreft ook in Europees verband. Vandaar dat ik er afgelopen vrijdag in Parijs op een bijeenkomst van Europese cultuur- en mediaministers voor heb gepleit overheden ruimte te laten bieden voor verandering. Sommige Europese landen, zoals Frankrijk, zijn meer gesloten en daardoor meer geneigd tot regulering en bescherming van de eigen industrie en de eigen waarden en identiteit. Die landen pleiten daar ook in Europees verband voor. Nederland gaat daartegen in door ferm en consequent zijn eigen liberale opvattingen uit te dragen. Mediabeleid is naar mijn mening geen instrument om de eigen cultuur af te schermen, maar een middel om vanuit een sterk ontwikkeld bewustzijn van de eigen cultuur tot uitwisseling met andere culturen te komen en zo de Nederlandse identiteit te profileren. De Noren hebben iets dergelijks heel slim aangepakt met de populaire serie Lillyhammer, die ze samen met Netflix hebben gemaakt. De Noorse taal en cultuur staan dankzij de ruime verspreiding van Netflix internationaal in de schijnwerpers.

Ik vind in dit verband de oproep van de Raad voor de Cultuur van anderhalve week geleden een opsteker. De raad stelt voor de creatieve krachten in Nederland te mobiliseren. De onderliggende gedachte van die oproep kan ik alleen maar onderschrijven. Als wij onze Nederlandse identiteit willen blijven uitdragen, dan zullen we onze krachten moeten bundelen. Laten we onze creatieve competitiezin aanspreken, elkaar niet de tent uit vechten en niet blijven hangen in competentieverschillen, maar samenwerken. We moeten ons voor elkaar openstellen en niet bang zijn voor nieuwe makers. Het gaat erom unieke, kwalitatief hoogwaardige content van eigen bodem te produceren. Dan vind ik het van minder belang wie dat doet. Dat betekent dus ook dat we geen hek om het reservaat van het publieke bestel moeten zetten. We zullen mee moeten in de vaart der volkeren, want de toekomst houd je niet tegen, die haalt je anders vanzelf wel in. Laten we vooral niet over 20 jaar hoeven zeggen dat we eerder hadden moeten ingrijpen.

Ik ga hier verder niet inhoudelijk in op het advies van de raad, want dat moment komt nog. Het spreekt hoe dan ook vanzelf dat we goed zullen bekijken wat de aanbevelingen betekenen voor het toezicht en dat we ervoor zullen blijven zorgen dat het gelijke speelveld behouden blijft. Het commissariaat blijft intussen gewoon doen wat het altijd doet: als waakhond optreden, niet als scheidsrechter die de wedstrijd doodfluit.

Koninklijke hoogheid, dames en heren,

Eind vorig jaar is het Commissariaat voor de Media in opdracht van mijn ministerie geëvalueerd. Die evaluatie wees uit dat het zijn wettelijke taken naar volle tevredenheid uitvoert, toegankelijk is en doelmatig en doeltreffend opereert. Ook bleken partijen die op wat voor manier dan ook met het commissariaat te maken hebben waardering te hebben voor zijn functioneren.

Het commissariaat is efficiënt vanwege de manier waarop we in Nederland onze wetgeving invullen. Daardoor doet het zijn werk in vergelijking met buitenlandse toezichthouders met veel minder medewerkers, zoʼn veertig hier tegen vaak enkele honderden daar. Voor de bezuinigingen op het mediabudget waren dat er meer, maar niet heel veel. Die bezuinigingen dwongen het commissariaat er in 2013 toe ingrijpend te reorganiseren en ruim 20 procent van zijn medewerkers te laten gaan. Maar het is dan wel weer zo Nederlands dat het de winkel heeft opengehouden terwijl die forse verbouwing binnen aan de gang was.

Transparantie en benaderbaarheid zijn andere kenmerken van de Nederlandse manier van gezag uitoefenen. Ook in dat opzicht is het commissariaat typisch Nederlands. Het is geen strenge Bromsnor die op zijn strepen staat, maar een luisterende, toegankelijke en transparante vraagbaak, die helder uitlegt wat mag en wat niet. Maar die als het moet wel sancties oplegt.

De wereld verandert sneller dan ooit. Wie er toezicht op wil houden, moet meebewegen, wendbaar en flexibel zijn, handhaven op zʼn Hollands. Dat geldt niet alleen voor het toezicht, dat geldt voor alles. We moeten niet denken in problemen maar in oplossingen. Kansen scheppen en ze benutten. Niet de kop in het zand steken door bijvoorbeeld te zeggen dat mensen toch wel altijd van papier zullen blijven lezen, dat modes wel weer overwaaien. Angst voor het nieuwe is van alle tijden. De kunst om die te overwinnen ook. Wie wegkijkt, marginaliseert zichzelf. Wie innoveert, wie meebeweegt, overleeft. Daarmee dwing je gezag af, zoals het commissariaat. 25 jaar oud, maar toch modern. En klaar voor de toekomst.

Dank voor uw aandacht.

Minister Financiën

Accordion 2

minister van Financiën, Jan Kees de Jager

Toespraak van de minister van Financiën, Jan Kees de Jager, bij het veertigjarig jubileum van MKB-Amsterdam, in Amsterdam op 16 november 2011.

[Nota bene: de organisatie heeft uw toespraak de titel ‘De dynamiek van de politiek’ gegeven.]

Dames en heren,

Van harte gefeliciteerd met het veertigjarig jubileum van MKB-Amsterdam. De ondernemersvereniging voor middelgrote en kleine bedrijven in de hoofdstad van Nederland. En daarmee zo’n beetje de parel in de kroon van de ondernemersverenigingen. Waarmee ik natuurlijk niets kwaads wil zeggen over uw collega-verenigingen.

’t Is een mooie leeftijd, veertig. Daar kan ik van meepraten. Life begins at forty, hoor je wel eens zeggen. Als mensen de middelbare leeftijd bereiken, beginnen ze de vruchten te plukken van wat ze tot dan toe hebben gezaaid. Ze zijn in de bloei van hun leven. En als ik zo eens om me heen kijk en beluister wat MKB-Amsterdam allemaal doet, bloeit ook uw vereniging volop.

Het is wel een beetje bloei tegen de verdrukking in. Waarmee ik doel op het huidige economische gesternte. Bedrijven hebben het daarin niet makkelijk. Des te meer reden voor uw vereniging om ze met raad en daad bij te staan.

Nu zijn ondernemers er de mensen niet naar om zich door een beetje tegenwind te laten ontmoedigen. Ze zijn sterk en inventief. Maar in tijden als deze mogen ze best uit de wind gehouden worden. Niet alleen door ondernemersverenigingen. Maar ook door overheid en politiek.

Juist nu zijn we gebaat bij een florerend bedrijfsleven. En dus moet de overheid voor een stabiel ondernemersklimaat zorgen. Zeker voor kleine en middelgrote bedrijven. Natuurlijk, grote bedrijven hebben net zo veel last van de crisis. Maar van de ruim 800.000 bedrijven in ons land is maar een kwart groot.

De helft van onze beroepsbevolking werkt in het mkb. Dat zijn 3,4 miljoen werknemers. Het kleinbedrijf draagt 188 miljard euro aan onze economie bij, het middenbedrijf 101 miljard. Waarmee ze samen goed zijn voor 55 procent van de toegevoegde waarde. Het mkb is dus een belangrijke motor van de Nederlandse economie. En we moeten ervoor zorgen dat die motor blijft draaien.

Daarom vraagt deze tijd om een dynamische overheid. Die alle zeilen bijzet om ervoor te zorgen dat het fundament het houdt. Dat er rust is. En stabiliteit. Die dus voorwaarden schept waarbinnen bedrijven goed kunnen gedijen. Maar die ook oog heeft voor de speciale behoeften van het bedrijfsleven in dit roerige tijdsgewricht. En daar extra hard voor loopt. Door te anticiperen en doortastend op te treden.

Ik ken die noden van het bedrijfsleven goed. Want ik ben zelf ondernemer geweest voordat ik de politiek in ging. En als ik één ding weet, dan is het dat er behoefte is aan rust in de tent. Daarom begon ik meteen de overheidsfinanciën op orde te brengen toen ik in 2010 minister van Financiën werd. Want zonder gezonde overheid geen gezond bedrijfsleven.

Om die overheidsfinanciën op orde te brengen, gaan we 18 miljard euro besparen. Dat is van essentieel belang om in de toekomst de belastingdruk binnen de perken te houden. Het is zo simpel als wat: als we niet zouden bezuinigen, zouden we de belastingen moeten verhogen. En daar is niemand blij mee. Al helemaal niet in crisistijd. Een alternatief is dat we de rekening doorschuiven naar toekomstige generaties. Maar daar kiest dit kabinet al helemaal niet voor.

De betere bezuiniging begint bij jezelf. Dus kijkt de overheid ook kritisch naar zichzelf. Het kabinet neemt ingrijpende maatregelen om de rijksdienst anders te organiseren. Zodat we over vier jaar een compacte rijksoverheid hebben die efficiënter, eenvoudiger en goedkoper werkt. Zo zijn er meer grote bezuinigingsposten. En weet u wat die met elkaar gemeen hebben? Dat ze ondernemers nauwelijks raken.

Want we willen een ondernemende economie. Die we de ruimte geven om zich te ontplooien. En voedsel en zuurstof om te kunnen groeien. Bijvoorbeeld door te voorzien in genoeg hersenpotentieel. Daarom bezuinigen we bijvoorbeeld per saldo ook niet op onderwijs. En is een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt een speerpunt van dit kabinet.

Let wel. Ik heb het tot nu toe alleen nog maar gehad over het werk dat de overheid doet aan de basis. Aan de instandhouding van het fundament. En daar hoort ook het behoud van de euro bij.

Het is nog niet zo heel lang geleden dat veel mensen alles wat met Europa te maken had maar een ver-van-hun-bed-show vonden. Maar ik geloof niet dat er nog iemand is die er zo over denkt. En onder mkb’ers al helemaal niet. Die hebben altijd al geweten wat een stabiele euro waard is. Want Nederland exporteert wat af. Alleen al het mkb exporteerde in 2009 voor 149 miljard euro, tegen het grootbedrijf ruim 90 miljard.

De interne Europese markt is voor Nederland dus van groot belang. Net als die ene munt. Die ervoor zorgt dat bedrijven minder risico lopen als gevolg van op en neer bewegende wisselkoersen. We moeten de euro dus gewoon in de lucht zien te houden. Vandaar de ene na de andere eurotop. Dat is pas dynamische politiek! Waarin we als Nederland trouwens een stevig partijtje meeblazen.

U ziet, we hebben er onze handen vol aan om alleen al de basis op orde te houden. Toch doet dit kabinet nog meer. Bijvoorbeeld de kredietverlening aan banken en bedrijven ondersteunen.

Daarom grepen we in 2008 in bij de banken. Om de invloed van de financiële crisis op de reële economie zo veel mogelijk te beperken. En daarom ook neemt het huidige kabinet maatregelen om ondernemers rechtstreeks aan krediet te helpen. Ten eerste hebben we het plafond van de borgstelling voor het mkb onlangs verhoogd tot één miljard euro. Wat betekent dat de overheid nog meer garant staat voor krediet aan kleine ondernemers. Ten tweede hebben we de onbenutte ruimte van de garantieregeling voor ondernemingsfinancieringen nog een jaartje doorgeschoven. Zodat bedrijven ook in 2012 nog een beroep op deze regeling kunnen doen. Ten derde is er een pilot gestart met zogeheten qredits – met een q. Dat zijn microkredieten aan ondernemers tot een maximum van 50.000 euro.

Nu weet ik dat ondernemers ongerust zijn over de kredietverlening. Ook dat begrijp ik als voormalig ondernemer maar al te goed. Toch lijken enige nuancering en relativering me hier op z’n plaats. We willen dat banken gezond blijven en daarom hun buffers herstellen. Daarom is het belangrijk dat ze voorzichtiger opereren. We zullen eraan moeten wennen dat de kredietgroei niet meer zo hoog zal zijn als in de gloriedagen voor de crisis. Maar krediet is nog altijd mogelijk voor wie met een goed plan komt. En uit de cijfers blijkt dat er nog steeds veel goede plannen zijn. Want ondanks de economische crisis is de kredietverlening de afgelopen drie jaar blijven groeien. En wel met zo’n 3 procent op jaarbasis.

Andere maatregelen om het ondernemerschap te stimuleren liggen vooral in de sfeer van de belastingen. Toen ik in 2008 staatssecretaris van Financiën werd, heb ik me meteen op de belastingregels gestort. Want als ondernemer ergerde ik met vaak groen en geel aan de bureaucratie en aan de vele formulieren.

Staatssecretaris Weekers gaat met zijn Fiscale Agenda nog verder om de rompslomp te verminderen. Zijn Belastingplan 2012 bevat concrete maatregelen om onkruid in het huidige stelsel te wieden. Om regelingen weer te gebruiken voor waar ze ooit voor waren bedoeld. Om innovatie te stimuleren. En om fraude tegen te gaan. Dat scheelt het bedrijfsleven behalve een hoop werk zo’n 30 miljoen euro per jaar. En zorgt ervoor dat het goedkoper wordt om het belastingstelsel uit te voeren.

Dames en heren,

Een paar weken geleden lieten de bedenkers van het bekende, gevederde stripduo Fokke en Sukke hun scheppingen vanuit de toekomst terugblikken op de huidige crisis. Als gerimpelde oude mannetjes herinnerden die zich hoe hevig de crisis wel niet was. Zo wisten ze nog dat dictators in 2011 in tunnels woonden. Dat ze maar naar de McDonald’s gingen omdat de bloembollen zo vies waren. En dat het de mensen zo slecht ging dat ze bier in plaats van prosecco moesten drinken.

We beleven inderdaad historische tijden. Waarvan ik de problemen allerminst wil bagatelliseren. Maar waarin we af en toe wel een relativerende knipoog kunnen gebruiken.

Net als de makers van Fokke en Sukke ben ik heel benieuwd hoe we over vele jaren op 2011 zullen terugkijken. Laten we zeggen over een jaar of veertig. Als het MKB-Amsterdam zijn tachtigste verjaardag viert. En bloeit als nooit tevoren.

Ik hoop dat we dat nog zullen meemaken. En dat we dan zullen zeggen dat het toen geen gemakkelijke tijd was. Maar dat we er weer bovenop zijn gekomen. Dankzij een dynamische overheid die haar verantwoordelijkheid niet uit de weg ging. En dankzij de veerkracht, de vindingrijkheid en het doorzettingsvermogen van het bedrijfsleven. Die van het midden- en kleinbedrijf in het bijzonder.

Ik wens het MKB-Amsterdam een fijne verjaardag en veel voorspoed in de toekomst.

Minister Financiën

Accordion 4

Minister of Finance, Jan Kees de Jager

Speech by the Minister of Finance, Jan Kees de Jager. Opening Gutteling Americas Inc. 16 June 2011.

Ladies and gentlemen, In business, the Dutch have always been a daring people. They have never been afraid of crossing boundaries – physical as well as mental ones. It takes courage to sail out across the world’s oceans to unknown destinies in order to discover, prosper and take the best out of life. Our forefathers in the sixteenth and seventeenth century showed these capacities and distinguished themselves. Their influence is present in the earliest history of the US.

It is that entrepreneurial spirit, combined with curiosity and the quest for the best, that has lived on in the Netherlands throughout the centuries. Due to that spirit our country has gained its present economic status. Though there are only a mere 16 million inhabitants in our country, we are still making our way in the world. Today we are 16th on the world economy rankings, the 5th largest exporter and the 6th largest foreign investor. Small is beautiful. Or, as we say in Holland: if you’re not strong, you have to be smart.

It’s also that same spirit that has brought Peter Gutteling to where we are here today: in a place far from home, called Houston. Today we are here to celebrate, in a way, the fact that this daring Dutchman has shown where guts and cleverness can take you. Notice, by the way, that he shares his first name with Peter Stuyvestant. Stuyvesant was a Dutchman who put his mark on the US before Peter Gutteling did.

As far as I know, the latter Peter hasn’t sailed the seas, but he has definitely set out on an adventure and discovered something else. His discovery: a niche for specialized products that are sought for by many specialized industries, ranging from sea shipping and off-shore to the oil and chemical industry. His products – composite hoses and industrial hose fittings – can transport a range of hydrocarbons and chemical fluids. By now the products of Gutteling Americas Inc., as the American branch of his company is called, comprise more than 200 different types of composite hoses.

So it was only a matter of time that brought Peter here. Of course the name ‘Houston’ is associated with oil, an industry that is still renewing and developing. Which means that there are opportunities for all kinds of supplying companies like Peter’s, that provide specialized products.

Though Houston’s long standing tradition in oil, it doesn’t rest on it’s laurels. Houston has proven that it still finds room to expand and develop. In fact, Houston is one of the largest growing markets in the US. And of course there’s the rest of the US, with its business climate that is ideal for Dutch daredevils. The Netherlands and the US have always been important economic partners. Though small, our country is the third largest investor in the US and the seventh largest market for US exports.

So while putting up his base here, Peter Gutteling, as a true business man, is already looking ahead. From Houston, Gutteling Americas Inc. will be able to support and supply the whole of the US. And not only the US, but Canadian and Latin American markets as well.

Which raises the question why am I here, because it seems Peter can do perfectly without my help.

With my role in the official opening ceremony of Gutteling Americas Inc. I like to stress that the Dutch government is willing to help its national companies by supporting and facilitating international enterprise. For instance by lowering or eliminating barriers to cross-border trade and investment.

My government helps Dutch companies to broaden their horizon and spread their wings. Especially if they are young, daring and innovative and have the potential to grow, like Gutteling Americas Inc. Such companies deserve our full support.

And you bet we give it to them. There are many possible ways, but let me mention only one. We have established the Netherlands Business Support Office, which provides Dutch firms who think of settling abroad with practical support to find their feet. Within a few hours, I will have the privilege to open a new annex of this office here in Houston, number 23 worldwide.

Though Peter received no direct help from my department, I gladly offer him my moral support. I think it’s in the interest of both the US and the Netherlands to have an important player here in Houston, as in other places where the action is. We want Dutch companies to be there where it happens. I hope I don’t sound to greedy if I say we want a piece of the cake. In return we have something to offer that allows the US to bake even bigger cakes.

[moment rust voor het einde]

Houston, we have a problem – a luxury problem. We, as a small nation, have our most important business partner, the US, almost too much to offer, as Peter’s example illustrates. I am convinced that there are many more possibilities. I consider the Netherlands to be blessed with a business partner that appreciates our efforts, is always keen on learning to know our initiatives and considers our interests to be mutual. It makes crossing boundaries for us Dutch less daring.

Peter Gutteling did dare, and I praise him for it. Also, I wish him all the best. So herewith I declare, with genuine pleasure, Gutteling Americas Inc. to be opened.

Staatssecretaris OCW

Accordion 6

Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Mark Rutte

Speech door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Mark Rutte, bij de uitreiking van de Nationale Prijs voor Lerende Organisatie, in Den Haag op 2 juni 2005 om 17.15 uur

Dames en heren,

Is het u opgevallen dat bedrijven en organisaties die herstructureringen aankondigen zo vaak metaforen gebruiken? In het economische nieuws horen we vaak berichten over bedrijven of organisaties die moeten ‘saneren’, ‘snijden’, ‘afslanken’, ‘de broekriem aanhalen’ of ‘inkrimpen’. Wat deze woorden met elkaar gemeen hebben, is dat ze, a: behalve metaforen eufemismen zijn, en b: uitdrukking geven aan een streven naar meer efficiëntie ten koste van werknemers. Want wat deze bedrijven en organisaties bedoelen wanneer ze deze woorden bezigen, is dat ze blijven doen wat ze doen, maar dan met minder mensen.

Wat degenen die de prijs voor lerende organisaties in het leven hebben geroepen voor ogen staat, is een omkering van dit principe. Niet hetzelfde met minder mensen, maar meer met hetzelfde aantal mensen. Het Great Place to Work Institute en Investors in People streven daarmee ook naar meer efficiëntie, maar dan op een humanere manier. Er vallen geen ontslagen, nee: er wordt meer uit de mensen gehaald, hun potentieel wordt beter benut. Organisatorische vernieuwing en motivering van werknemers zorgen voor vergroting van kennis en uiteindelijk van productiviteit. Uitgangspunt én gevolg van deze gedachte is dat werknemers voortdurend hun kennis bijspijkeren.

En dat sluit prachtig aan bij het kennisideaal van het huidige kabinet. Het streven van dit kabinet naar een kenniseconomie vraagt van onze beroepsbevolking dat die bij de tijd blijft. Werknemers moeten niet alleen een goede beginopleiding krijgen, maar ook daarna blijven leren. In de wereld van vandaag is voltooiing van een opleiding niet het einde van een periode van leren en studeren, maar slechts de opmaat ervan. Als het goed is, betekent werken jezelf voortdurend ontwikkelen. Maar daar moet een werkgever dan wel achter staan. Sterker nog, die werkgever moet dat actief stimuleren.

Lerende organisaties zijn werkgevers die dat bij uitstek doen. Niet alleen motiveren ze hun werknemers door opleidingsmogelijkheden te bieden, ze passen ook de structuur van hun bedrijf of organisatie aan om zogeheten kritisch reflexief werkgedrag te bevorderen. Hun organisatiestructuren zijn doorgaans platter, ze zorgen voor een creatieve werkomgeving en voor management dat mensen hun vleugels laat uitslaan, en daarmee hun talenten.

Daarnaast zorgen ze zoals gezegd ook voor wat ik maar een levenslange bijscholing van hun werknemers zal noemen, als die althans bij de desbetreffende of andere lerende organisatie blijven werken. In lerende organisaties leren werknemers voortdurend van elkaar, met elkaar en van anderen.

De vraag is hoe de overheid dit nobele streven van lerende organisaties kan bevorderen. Allereerst doe ik dat hier en nu concreet en persoonlijk door de Nationale Prijs voor Lerende Organisatie uit te reiken. Het Great Place to Work Institute en Investors in People hebben die in het leven geroepen om meer aandacht voor lerende organisaties te genereren. Ik draag daar met mijn aanwezigheid graag aan bij.

Maar ook op het niveau van het maken van beleid kan de overheid iets voor lerende organisaties betekenen. Ik noem een initiatief dat de minister en ik samen met onze collega’s van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben genomen om een impuls te geven aan het principe van een leven lang leren en aan combinaties van leren en werken. Dat initiatief is de lancering van de projectdirectie Leren & Werken.

Waarom is die projectdirectie nodig? Ten eerste omdat 26 procent van onze beroepsbevolking niet over een beroepskwalificatie beschikt. En dat terwijl we tot de beste economieën van Europa willen behoren! Verder hebben we te weinig hoger opgeleiden om onze ambitie om een kenniseconomie te worden te kunnen waarmaken. Dus moeten we mensen stimuleren om verder te leren. Behalve uitval voorkomen betekent dat ook bevorderen dat mensen zich blijven ontwikkelen. Ik zei het al: het volstaat niet langer om op een bepaald moment een vak te leren en het daarbij te laten. Meer dan ooit wordt van een werknemer verlangd dat hij nieuwe competenties verwerft. Deze overheid vindt dat je blijven ontwikkelen tot de levenshouding van elke Nederlandse burger zou moeten behoren. Daar is een cultuuromslag voor nodig, en daar gaat de projectdirectie aan werken.

De directie gaat ervoor zorgen dat het aantal werknemers dat leert en het aantal werkzoekenden dat werkt én leert substantieel groter worden. Dat moet leiden tot meer mensen met een beroepskwalificatie. Om dat te bereiken, wil de projectdirectie samenwerken met werkgevers, onderwijsinstellingen en eventueel gemeenten.

Een tweede lijn waarlangs de projectdirectie werkt, is versterking van belangrijke randvoorwaarden voor leren. Er zijn er verschillende, maar ik noem er hier twee die vooral voor lerende organisaties van belang zijn. De eerste is ervoor te zorgen dat de ervaring en de kennis van werknemers worden getoetst en gecertificeerd. Dat kan een bedrijf veel opleidingstijd en kosten voor scholing en verlet schelen. Zo kan een bedrijf beter handen en voeten geven aan een doortimmerd opleidingsbeleid voor zijn werknemers. De tweede randvoorwaarde is ervoor te zorgen dat werknemers en werkgevers gericht kunnen kiezen uit het woud aan opleidingen. De projectdirectie gaat daarom een landelijke on-line marktplaats voor scholing ontwikkelen.

Tot slot gaat de projectdirectie drempels slechten en succesvolle vernieuwingen in de samenleving stimuleren en verbreden. Denkt u bij het slechten van drempels bijvoorbeeld aan het wegnemen van belemmeringen die voortkomen uit wet- en regelgeving. De succesvolle vernieuwingen kunnen van uiteenlopende aard zijn. Het kan gaan om pedagogisch-didactische vernieuwingen, om samenwerkingsprojecten of om specifieke stimuleringsprojecten. De directie selecteert vijf projecten, ondersteunt die en plant ze als het ware over naar andere regio’s, sectoren of leercontexten.

Bij dat alles hoort natuurlijk ook een structurele financiering van het idee van levenslang leren. De directie gaat onderzoeken wat doorvoor de beste methode is.

Dames en heren,

Ik hoop dat u duidelijk is geworden dat de genoemde activiteiten van de projectdirectie direct of indirect helpen lerende organisaties de ruimte te geven. De overheid doet dat van harte, want lerende organisaties leveren een prima bijdrage aan de zo gewenste kenniseconomie. Voor de toekomst van Nederland is het van groot belang dat bedrijven en instellingen zich tot lerende organisaties ontwikkelen, waarin mensen de mogelijkheid krijgen zich breed te ontwikkelen en waarin leren en werken organisch in de organisatiestructuur zijn ondergebracht. Er wordt in dit verband wel van sociale innovatie gesproken, en dat klinkt me een stuk beter in de oren dan de inhumane eufemismen die ik u in het begin noemde. Met het Investors in People-keurmerk bestond er al een middel om organisaties erkenning te verlenen voor hun goede scholingsbeleid. De prijs voor lerende organisaties die daar per vandaag aan wordt toegevoegd, de Hoogvlieger, helpt het gedachtegoed van lerende organisaties verder uit te dragen. De genomineerden staan stuk voor stuk model voor wat lerende organisaties in de praktijk vermogen. De winnaar is een lerende organisatie par excellence. Ik kan niet wachten de juryvoorzitter te horen vertellen hoe de genomineerden de kenniseconomie een stapje dichterbij hebben gebracht en wie de winnaar is. Ik dank u voor uw aandacht.

(plv) Secretaris-generaal ministerie van V en W

Accordion 3

Plaatsvervangend secretaris-generaal van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, Peter Heij

Toespraak van de plaatsvervangend secretaris-generaal van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, Peter Heij, op het themacongres ‘Taal’ van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, in Den Haag op 25 september 2003 om 9.55 uur

Dames en heren,

Al vanaf de Oudheid houden filosofen het ons voor, en vanaf de opkomst van de moderne roman peperen schrijvers ons hun boodschap des te duidelijker in: taal is weliswaar een bron van schoonheid, maar vooral een bron van leugen en misverstand.

De grootste taalfilosoof van de twintigste eeuw, Ludwig Wittgenstein, legde uit waarom we elkaar misverstaan. Hij vond dat filosofen de taal moesten verhelderen en onbegrip op die manier de wereld uit moesten helpen.

Kortom, twee millennia lang hebben filosofen zich beziggehouden met onwaarheid en misverstanden als gevolg van taal.

Schrijvers buiten de taal als bron van leugen en misverstand juist uit. Sommigen doen dat heel bewust en zijn er meester in. Maar eigenlijk construeert elke tekst een wereld die onwaar is, zelfs al verwijst hij in meerdere of mindere mate naar de werkelijkheid, of het nu een biografie is of een nota van Rijkswaterstaat. Kortom: elke schrijver liegt, en dat hindert ons vaak niet in het minst. Sterker nog, we genieten er van en kunnen er zelfs ons werk door doen.

Misschien klinkt dit alles voor u als de ver-van-mijn-bed-show. Maar waar al deze filosofen en schrijvers zich mee bezighouden, staat dichter bij u dan u denkt. Want of je de taal nu gebruikt om te mystificeren en er een spel mee te spelen, of de taal gebruikt om misverstanden uit te sluiten, aan beide mogelijkheden ligt de erkenning ten grondslag dat onbegrip inherent is aan taal. En onbegrip is iets wat we allemaal ervaren, soms zelfs dagelijks.

Een paar voorbeelden uit mijn eigen ervaring. Het komt wel eens voor dat ik iemand een opdracht geef die volgens mij zo duidelijk is als wat. Toch komt diegene vervolgens bij mij terug met iets waar ik naar mijn idee niet om heb gevraagd. Ben ik nou zo onduidelijk, of is die ander nou zo dom? Of is het geen van beide en begrijpen we elkaar gewoon verkeerd? Bij sommige mensen heb je aan een half woord genoeg, bij anderen nog niet aan een mensenleven lang bomen. Ik trek daaruit de conclusie dat we weliswaar dezelfde taal spreken, maar elkaar vaak toch niet begrijpen.

Nog een voorbeeld. Op mijn eerste werkdag als jonge ambtenaar kreeg ik de opdracht om een minuut te maken. Ik begreep er niets van. Ik maak elk uur wel 60 minuten! Wist ik veel dat een minuut een eerste versie van een brief is. Nog diezelfde dag zei iemand mij dat ik het stuk kon ‘deponeren’. Ook dat begreep ik niet. Ik had het stuk toch al ergens neergelegd? Totdat ik begreep dat ‘deponeren’ in ambtenarenjargon betekent: ‘als afgehandeld laten opnemen in het archief’. Mijn tweede conclusie is dus dat organisaties een eigen taal hebben. Spreek en versta je die taal niet, dan kun je niet goed functioneren.

Om nog even op Wittgenstein terug te komen. Ik zei al dat hij verklaarde waarom we elkaar misverstaan. Volgens hem hangt de betekenis van een zin af van de context waarin we die uitspreken. Of taalgebruik goed en begrijpelijk is, hangt af van de regels die in die context gelden. Daarom betekent ‘deponeren’ in de context van ambtenarentaal iets anders dan in de context van het gewone taalgebruik.

Als mensen elkaar niet begrijpen, komt dat doordat ze andere regels hanteren, of, om met Wittgenstein te spreken, doordat ze een ander taalspel spelen. Taalgebruikers die dezelfde regels in acht nemen begrijpen elkaar. Wie een ander niet begrijpt, zal de regels van diens spel moeten leren kennen. Wie aan een half woord genoeg heeft, is goed op de ander ‘ingespeeld’. Het is bij Wittgenstein uiteraard allemaal wat ingewikkelder dan ik het nu schets, maar dat is waar het ongeveer op neerkomt. Ik heb gezien dat ‘stand up’-filosoof Huib Schwab vanmiddag een workshop geeft waarin hij uit Wittgensteins werk put, dus als u geïnteresseerd bent, kan hij u misschien meer vertellen.

Zelfs tussen mensen die elkaar kennen en hetzelfde taalspel spelen ontstaan soms misverstanden. Ik gaf u daar net een voorbeeld uit eigen ervaring van. U kunt zich dus voorstellen wat er gebeurt als mensen die verschillende taalspelen spelen met elkaar communiceren. Juist: misverstanden alom. Zo zijn de verschillende afdelingen binnen ons ministerie vaak al min of meer gesloten taalsystemen. Elk directoraat-generaal heeft zijn eigen taal en cultuur. De Centrale Diensten bedienen zich van een heel ander jargon dan de medewerkers van de Bouwdienst. Geen wonder dat de verschillende delen van het ministerie elkaar niet altijd begrijpen.

Dan het veld waarop we met z’n allen het taalspel van ons ministerie spelen. Ook dat heeft zo zijn eigen grenzen, zestienmetergebieden en penaltystippen. U begrijpt waar ik naartoe wil. Als we elkaar binnen het ministerie al niet altijd begrijpen, hoe moet de buitenwereld ons dan verstaan? Hanteren wij een taal die alleen van ons is? Als een soort familietaal die zorgt dat toehoorders buitenstaanders worden? Er bestaat veel onbegrip tussen het ambtelijke en politieke veld en de rest van de samenleving, die overigens ook uit duizenden taalspelen bestaat. Maar die willen we wel allemaal kunnen bereiken. Want onbegrip ondergraaft de legitimiteit van de overheid.

We lijken op het ministerie soms te leven in een schijnwereld, een Platoonse wereld van nota’s en rapporten, om nóg maar eens een oude filosoof aan te halen. Een papieren wereld die vaak eerder verhult dan verheldert. De voorstellingen op papier lijken belangrijker dan de werkelijkheid, die in de nota’s langzaam naar de achtergrond verdwijnt. Niet voor niets stelde ik daarnet een ambtelijk rapport min of meer gelijk aan een roman.

Het probleem is duidelijk. Maar waar ligt de oplossing?

Er is maar één oplossing, en dat is de taal zelf. Je kunt niet over taal praten zonder de taal zelf te gebruiken. Taal is voor ons het enige mechanisme om verbinding te maken.

Het klinkt misschien als een open deur, maar het is een kwestie van bewustwording. We zenden de hele dag boodschappen uit zonder ons altijd te realiseren of ze goed aankomen. Over het eerste denken we heel erg veel na, over het tweede veel te weinig. Wát we te zeggen hebben, lijkt soms belangrijker dan hóé we het zeggen. Maar als we de verkeerde woorden kiezen, zijn we algauw ons gehoor kwijt.

Gelukkig kunnen we allemaal ons steentje bijdragen. We moeten allemaal actief aan de slag om ons bewust te worden van de manier waarop we met elkaar communiceren, zowel binnen het ministerie als tussen het ministerie en de maatschappij. Daarom is zo’n dag als vandaag zo nuttig. Die laat ons er bij stilstaan wat taal betekent, wat we ermee doen, en waar misverstanden insluipen.

Wittgenstein stelde voor filosofen de taal te laten verhelderen om zo onbegrip de wereld uit te helpen. Dat wil niet zeggen dat dit ministerie meer filosofen in dienst moet nemen, maar dat we allemaal een beetje meer filosoof moeten worden. Waarom zouden we niet proberen de regels van taalspelen van anderen te begrijpen om ons beter verstaanbaar te maken?

De spreker moet nadenken over de vorm die het best overkomt bij zijn gehoor. De spreker ontwikkelt de gedachte, de toehoorder moet de maat zijn voor de vorm waarin hij die gedachte presenteert. Tegen een kind praat je anders dan tegen een leeftijdgenoot, tegen een vriend anders dan tegen je chef. Schrijven is denken met het hoofd van de lezer. We moeten de regels van het taalspel van anderen aannemen, het taalspel van een ander leren begrijpen.

Laat ik daarom ten slotte een pleidooi houden voor een van de workshops van vanmiddag. Het is de workshop over het briljante en geestige boek Stijloefeningen van Raymond Queneau. Daarin vertelt hij een en hetzelfde verhaal op 99 verschillende manieren. De workshop daagt u uit iets vergelijkbaars te doen. De deelnemers moeten een verhaal herschrijven, bijvoorbeeld op een boze toon, een volkse toon of juist een hoogdravende toon. Als dat geen inleven in de doelgroep is! Ik daag u op mijn beurt uit en wil u vragen zich voortaan te realiseren dat u uw verhaal, welk verhaal het ook is, op oneindig veel manieren kunt vertellen.

Dames en heren,

Vandaag hebt u zich vrijwillig onderworpen aan de regels van een taalspel. En ik heb dat net zozeer gedaan als u. Ik heb een uitnodiging gekregen om te komen spreken, ik heb de uitnodiging geaccepteerd, ik heb mijn taaluitingen met zorg gekozen en ze goed overwogen. Ik heb gezocht naar de vorm van de taal waarmee ik me tot u richt. Ik heb rekening gehouden met u, mijn gehoor, en hopelijk ingespeeld op uw verwachtingen. Wil ik alles uitleggen? Wil ik dat u verrast en verwonderd raakt? Had ik op mijn moeten hurken gaan zitten en moeten aannemen dat u weinig weet? Had ik u moeten toespreken in Jip en Janneke-taal, iets waarin bepaalde politieke partijen geloven? En vooral: kan ik u mijn wereld in lokken, in de hoop dat u straks de maatschappij onze wereld in weet te lokken? Ik heb mijn best gedaan. Het is nu aan de ongeschreven regels van het spel of u mij begrijpt of niet.

Deze bijeenkomst van vandaag draait er wat mij betreft om hoe we als medewerkers van dit ministerie met elkaar en met onze medeburgers praten. Een ongelooflijk belangrijke taak, want wij hebben rekenschap aan de maatschappij af te leggen. Daarom hoop ik dat het voor u een prettige en leerzame bijeenkomst wordt.

Een toespraak is ook een taalspel. Graag sluit ik af met de standaardregel voor de afsluiting van dat spel door u te danken voor uw aandacht.